Hond haren in de wind

De oestrische cyclus bij de hond

Het is niet alleen in het geval van fokken belangrijk om de oestrische cyclus van uw teef te herkennen: het gaat hier ook om haar hormonale gezondheid.

De oestrische cyclus bij de hond

De oestrische cyclus is een kringloop van hormonale veranderingen. Deze hormonale veranderingen creëren de lichamelijke en geestelijke gesteldheid die nodig is voor de voortplanting. Een goede kennis van deze cyclus, en de mogelijke afwijkingen ervan, is daarom van groot belang bij het fokken van honden.

Wat zijn de fases van de oestrische cyclus?

De eerste loopsheid gebeurt bij de meeste honden voor het eerste levensjaar. Sommige teven vormen hierop een uitzondering en kunnen de eerste loopsheid wel uitstellen tot 18 maanden. De intervallen waarin de loopsheden bij de teef zich opvolgen zijn meestal eens per 6 tot 12 maanden. 

De oestrische cyclus van de teef bestaat uit vier periodes waarvan de duur per hond kan verschillen:

De eerste twee fases vormen samen de loopsheid bij de hond.

Figuur 1: Hormonale verloop van de cyclus

Hormonen tijdens de oestrische cyclus

Tijdens de pro-oestrus wordt de eierstokken gestimuleerd tot het vormen van oestrogenen. Dit hormoon zorgt ervoor dat de geboorteweg van de teef wordt voorbereid op de bevruchting. Op de overgang van pro-oestrus naar oestrus wordt er vanuit de hersenen (hypofyse) plotseling veel LH (luteïniserend hormoon) afgegeven. De productie van oestrogeen neemt daarna af en de eierstokken gaan nu meer progesteron produceren.

Ongeveer twee dagen na de LH-piek vindt de eisprong (ovulatie) plaats. De ovulatie vindt in ongeveer twaalf uur plaats. Alle aanwezig follikels zijn dan gesprongen en de eitjes die vrijkomen dienen nog een rijping te ondergaan van ongeveer vierentwintig uur voordat deze bevrucht kunnen worden door zaadcellen. Na de LH-piek zal de productie van progesteron snel stijgen en deze blijft hoog tot halverwege de metoestrus. Dan daalt de concentratie van progesteron. Bij een drachtige teef zal op het einde van de dracht het progesteron snel dalen, terwijl de productie van prolactine (melkgifthormoon) toeneemt.

Maar ook bij de niet drachtige teef zal het progesteron gaan dalen en zal ongeveer twee maanden na de loopsheid tot een zeer laag niveau zijn gedaald. Ook hierbij treedt er productie van prolactine op, maar de hoeveelheid prolactine, met daarbij tepelzwelling en opzetten van de melkklieren kan zeer wisselend zijn per teef. Sommige teven produceren gewoon melk, alsof ze een nest hebben gekregen.

Tijdens de anoestrus zijn de eierstokken weinig actief en zijn de concentraties van oestrogeen en progesteron laag.

Afwijkingen in de cyclus

Bij gespleten loopsheid stopt de loopsheid een paar dagen en begint weer na één of meerdere weken weer aan. Deze pauze kan binnen één cyclus enkele keren herhaald worden. Hormonaal gezien wordt er oestrogeen geproduceerd, maar vindt er geen LH-piek plaats en blijft het progesteron laag.

Na het opnieuw loops worden van de teef vindt er uiteindelijk wel een ovulatie plaats, maar het vaststellen van de vruchtbare periode is vaak een groot probleem als er geen dektijdstipbepaling wordt gedaan. Sommige teven laten zich namelijk gedurende een groot deel van de loopsheid dekken, ook als er geen ovulatie plaatsvindt. De aandoening wordt voornamelijk gezien bij jonge teven of juist meer senior teven.

Bij rassen zoals de Duitse Herder en de Saarloos Wolfshond wordt de gespleten loopsheid vaker waargenomen dan bij andere rassen.

Figuur 2: Gespleten loopsheid. 

In het geval van persisterende pro-oestrus wordt er te weinig LH afgegeven, waardoor de teef in de pro-oestrus blijft; zij kan dan wel zes tot acht weken loops blijven. We spreken van persisterende pro-oestrus als er binnen 25 dagen na aanvang van de loopsheid geen ovulatie heeft plaatsgevonden.

De aandoening wordt gekenmerkt door het opgezwollen blijven van de vulva, rode uitvloeiing uit de vulva en aantrekkelijk blijven voor de reuen. De oorzaak van deze aandoening kan onder andere het aanwezig zijn van een cyste(-s) in de ovaria of een tumor in een van de ovaria. Door middel van bloedonderzoek, gynaecologisch onderzoek, palpatie van de buik en echografisch onderzoek is het mogelijk om de diagnose te stellen.

De mogelijkheid tot behandeling is bij een jonge teef in de regel beter dan bij een oudere teef.

Figuur 3: persisterende pro-oestrus

Van de laatste afwijking is er de vraag of het wel als aandoening beschouwd kan worden: schijndracht. Hierbij vertoont de teef ongeveer acht weken na de loopsheid melkproductie en/of ander gedrag dat wijst op dracht. Het wordt bij 20 tot 80 procent van de teven waargenomen. Dit komt omdat het hormonale verloop van de niet-drachtige teef weinig verschilt van de drachtige. Dit is ook de reden dat schijndracht ook wel als natuurlijk wordt beschouwd.

Het kennen van de oestrische cyclus van uw teef is noodzakelijk voor fokken, maar door mogelijke afwijkingen ook belangrijk bij te houden voor de niet-fokkende eigenaar.